top of page

Haskes Fritske

Frits van Rens, die in de volksmond ‘Haskes Fritske’ werd genoemd, was een tot verbeelding sprekende Meterikse inwoner. Zijn naam is Godefridus van Rens.


Hij werd geboren op 5 september 1873 in Meterik in wat men toen Voor America noemde, om precies te zijn Op ’t Rooth 2 (nu Pieter Litjensweg.)

Zijn vader was Gerard van Rens en zijn moeder was Anna Maria Phillipsen. Zijn vader was wever van beroep.

Frits was de oudste van 4 kinderen; hij was klein van stuk en werd in de volksmond Fritske genoemd. Zijn broer was Jacob van Rens (Haskes Joek). Van de andere 2 kinderen is niks bekend.

De kinderen hebben al vroeg allebei hun ouders verloren.

Fritske groeide op, werd volwassen en ging in dienst als turfsteker bij de firma Van der Griendt.

Dit turfsteken gebeurde in de Peel waar het huidige Griendtsveen ligt.

Het was zwaar werk, alles was handwerk.

Op de foto Haskes Frits (rechts) Smitten Ties (Ties van den Munckhof) samen op de bank.

Fritske had contacten met Ties omdat die smid was en gereedschap maakte voor de turfstekers


In het jaar 1898 werd vanuit Schotland gevraagd om turfstekers.

In dat jaar vertrokken 8 gezinnen uit de regio Horst naar Thorne in Groot Brittanië om er te gaan turf steken.

Rond 1900 vertrok ook Fritske met een aantal andere turfstekers op verzoek van de firma Van der Griendt naar een veengebied in de buurt van Manchester in Engeland.

De meesten die de overtocht gingen maken hadden net voldoende geld om in Engeland te komen. Wie niet voldoende had kon een voorschot van de maatschappij krijgen. Dat was 10 gulden; daar moest van betaald worden de trein naar Rotterdam 3 gulden, de overtocht met de boot 6 gulden, bleef er nog 1 gulden over om aan boord wat eten te kopen. Maar de meesten zullen wel gezorgd hebben dat ze wat te eten meenamen.

Het was een vrachtboot, in het ruim van de boot waren wat afscheidingen aangebracht met wat stapelbedden erin.

De reis met de boot naar Engeland duurde 2 dagen.

Jaak (Haskes Joek), de jongere broer van Fritske, was ook in Engeland om turf te steken. Hij was er met zijn vrouw Sibilla naartoe gegaan; Fritske vond onderdak bij Joek en Billa.


Het turfsteken hier was op enkele uitzonderingen na hetzelfde als in de Peel, alleen werd het beter betaald.

Hier haalde je het dubbele van wat je in de Peel kon steken.

Dat mocht ook wel, want voor de lol hoefde je hier niet te zijn. Het ergste waren de muggen, heel veel erger dan in de Peel.

Het merendeel van de turfstekers keerde dan ook spoedig terug naar Nederland.

Deze foto is genomen in 1912 voor café ’t Kruuspunt, Americaanseweg in Meterik. Op de foto v.l.n.r. Willem Thijssen (Paterboswullem), Johannes Hesen, Leo Kellenaers (Paukes Lei), Evard Hendrik Lenssen (Groëten Driek) met hond Sjuul op zijn schoot. Zij kwamen toen terug uit Engeland waar ze turf gestoken hadden.


Fritske bleef in Engeland; hij had er meer gevonden dan turf.

Hij had Alice Litherland ontmoet en trouwde met haar op 23 april 1903 in het stadje Leight in Engeland.

Op 1 mei 1904 werd hun zoon John Gerard (Sjaak) geboren in Glazebury.


Fritske en zijn gezin zijn vele jaren in Engeland gebleven; ze keerden in juli 1921 terug naar Meterik. Zoon Sjaak was toen 17 jaar oud en sprak uiteraard goed Engels. In de latere oorlogsjaren kwam dat wel eens goed van pas.

Terug in Meterik gingen Fritske, Alice en Sjaak wonen aan de Speulhofsbaan in Meterik. (Hun boerderijtje stond aan de linkerkant van de weg tussen het huidige huisnummer 51 en het kruisbeeld dat bij café ‘Het Kruuspunt’ staat.) Maar omdat het huis aan de Speulhofsbaan nog niet vrij was hebben ze eerst nog enkele maanden bij ‘Piete Chris’ gewoond.

(Chris van Rengs woonde op de Americaanseweg waar nu ‘De Vrolijke Spreeuw’ is.)



Toen ze op de Speulhofsbaan woonden begon Fritske een tuindersbedrijfje en hield hij schapen. Het mest van de schapen gebruikte hij om de grond van zijn tuinderij mee te bemesten, wat uitzonderlijke goede oogsten op leverde.



Op zijn tuinderij kweekte hij meestal staakbonen. Staakbonen worden gekweekt aan een touw

en dit touw wordt vastgebonden aan ijzerdraad dat weer aan houten palen wordt bevestigd. Die palen staan een eindje in de grond; de palen gingen dus niet zolang mee omdat het gedeelte wat in de grond zit op den duur gaat rotten en dan breken ze af.

Fritske vond het helemaal niet erg dat niet alle bonenpalen even lang waren, hij zette ze gewoon weer in de grond zoals ze op de kruiwagen lagen. Dit had tot gevolg dat de rijen bonen allemaal verschillende hoogtes hadden, maar omdat Fritske klein van stuk was kon het soms ook handig zijn bij het plukken van de bonen. (Rechts op de foto de bonenpalen tegen de muur van de schuur.)





De schapen stonden in een potstal. In het voorjaar werd de stal uitgemest en werd het mest uitgestrooid over het land en ondergespit. In diezelfde potstal was in een hoek het toilet,

’t huuske’ zoals het toen werd genoemd). Als de stal was uitgemest in het voorjaar moest je met een trapje naar het ‘huuske’, op het einde van de winter als de stal vol lag met het mest dan was het ‘huuske’ op ongeveer dezelfde hoogte en liep je over het mest naar het ‘huuske’ toe.





Fritske was ook jager en dit kon hij bijzonder goed. Er ging een verhaal rond dat hij met een aantal jagers op jacht was geweest en dat ze aan het einde van de dag huiswaarts keerden met een aantal hazen, waarvan Fritske er 7 voor de loop van zijn geweer had gekregen.

Fritske had een kist met verschillende jachtgeweren meegebr acht uit Engeland. Piete Bert (Bert van Rengs) kreeg ook een jachtgeweer van Fritske.

Fritske verzamelde alle mogelijke oudheden, had heel oude boeken in zijn bezit en de kennis die hij hieruit opdeed deelde hij graag met andere mensen. Als Fritske ‘Piete Bert’ op de fiets langs zag komen, riep hij naar Bert om te stoppen, dan wilde hij graag vertellen wat hij in een van zijn boeken had gelezen. “Dat heb ik oet de beuk” zei hij dan.

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn de Engelse soldaten nog een aantal maanden hier in de regio gebleven. Fritske en zijn zoon Sjaak hadden veel contact met de Engelse soldaten; ze spraken goed Engels. De Engelse soldaten hadden toen een keuken in een kippenhok bij Grad Hermans op de hoek Speulhofsbaan, Pieter Litjensweg. Fritske ging hier regelmatig op bezoek en hij kwam niet met lege handen thuis maar met witbrood dat hier gebakken werd; het brood was heel wit, witter dan het witbrood dat men hier altijd had.


Fritske en Alie, zoals Alice genoemd werd, hadden in hun schapenwei verschillende soorten fruitbomen waaronder een appelboom van het oude ras ‘Zerums Striepke’.

Ze stookten turf en het water kwam uit een waterput. Petroleumlampen zorgden voor de verlichting.


Begin jaren 50 werd er waterleiding aangelegd. Vanaf de watertoren in Veulen liep de leiding via de Schadijker bossen en het Meteriks veld naar Sevenum. Vandaar dat men op de Speulhofsbaan als eerste aangesloten werd op de waterleiding, pas daarna werden ook andere straten aangesloten.


Toen hun enige kind, zoon Sjaak, begin jaren vijftig ging trouwen met Annie Gommans uit Venray hebben ze bij Fritske en Alie ingewoond en zoals alle jonggehuwden in Meterik moesten ze bal gooien. Vader Fritske, die toen hij pas gehuwd was in Engeland woonde en dus nooit had hoeven balgooien, liet deze kans niet schieten en gooide samen met het jonge paar appeltjes (het eerder genoemde Zerums Striepke) boven uit de ramen boven naar de ‘bal bal’ roepende kinderen beneden.



Op 23 april 1953 waren Alie en Fritske 50 jaar getrouwd. Beiden verkeerden nog in goede gezondheid er zou geen groot feest plaats vinden. De buurt heeft er toen toch voor gezorgd dat het echtpaar, zoon Sjaak, schoondochter Annie en kleinzoon Frits een onvergetelijke dag werd bezorgd. Ook fanfare Concordia kwam die dag een serenade brengen.


Fritske en Alie zijn in hun huisje blijven wonen tot het overlijden van Fritske op 27 augustus 1960, bijna 87 jaar oud.

Alie is hierna bij zoon Sjaak en schoondochter Annie gaan wonen die aan de overkant van de weg een nieuwe woning hadden gebouwd.(Van Berlo woont hier nu, Speulhofsbaan 30.)

Het oude huisje was erg vervallen en is afgebroken.


Alie overleed in het ziekenhuis in Horst op 13 maart 1963, 80 jaar oud. Lod van Rengs (Piete Lod) haalde met paard en kar de kist met het stoffelijk van Alie op bij het zogenoemde ‘dodenhuisje’ bij het ziekenhuis van Horst, waar overleden personen werden opgebaard tot de begrafenis. Lod reed er mee naar de kerk van Meterik. Na de uitvaartmis werd Alie op het Meterikse kerkhof begraven.







Zoon Sjaak was een bekende huisfotograaf; hij maakte pasfoto’s en portretfoto’s waarbij de geportretteerde vaak bij een stoel stond.

Sjaak was ook de trotse bezitter van hok met postduiven, dat was zijn grootste hobby. Een andere hobby was luisteren naar muziek die hij opnam op cassettebandjes; de muziek heeft hem nog veel plezier bezorgd de laatste 8 jaar van zijn leven toen zijn gezichtsvermogen sterk verminderd was.

Sjaak heeft enige tijd gewerkt als chauffeur bij de graanhandel van Jos Verhaegh aan de Kerkstraat in Horst. (waar nu de winkel van bakker Gommans is.) Ook was hij een periode vachtwagenchauffeur bij Jos Hagens, locomotiefbestuurder bij de ontginning van de Peel en bouwvakker bij Poels Frens uit de Herstraat in Horst.

Sjaak (John Gerard) van Rens overleden op 3 november 1982 in het ziekenhuis in Venray, hij werd 78 jaar oud.


185 weergaven0 opmerkingen

Comments


  • Facebook
  • Youtube
bottom of page