Champignonteelt Jan van den Beuken

Heemkunde Meterik is bezig om de Meterikse tuinbouw in kaart te brengen. Jan van den Beuken (foto rechts) schreef onderstaand verhaal over hoe het vroeger ging in de champignonteelt, waarvoor hartelijk dank. Zijn vader, Sjeng van den Beuken, startte op de Kannegietweg (nu Kannegietweg 10) de eerste kwekerij van Meterik.

Met dit verhaal wil ik de opkomst en de teelt van champignons in Meterik een beetje belichten. Het is begonnen bij de pioniers van de champignonteelt. Omdat mijn Vader ongetwijfeld de eerste kweker in Meterik was zal dit verhaaltje zich grotendeels afspelen bij ons thuis, dus bij Sjeng en Anna van den Beuken.
Ik zal eerst een beeld proberen te schetsen wie en hoe mijn Vader was, hierna voor het gemak Ôzze Va te noemen (zie foto). Ôzze Va was een ultra bedrijvige man die bijna altijd bezig was en altijd wel wat te doen had. Zelfs zondags kon hij niet stilzetten en was dus bij het kerkkoor. De gregoriaanse mis zong hij zonder boek probleemloos. Er zullen mensen zijn die denken, hij zal dus wel geen noten hebben kunnen lezen. Dat kon hij dus wel want ook speelde hij bij de fanfare en wel het grootse instrument wat ze hadden, de bas. Maar om op dat kerkkoor terug te komen.
Elke zondag zat hij boven bij het orgel met het koor de mis te zingen en in de gaten te houden wat wij uitspookten en wat thuis terdege besproken werd, snik, snik. Maar om op dat koor terug te komen, elk jaar werd er een uitstapje georganiseerd. En elk jaar ging dat uitstapje naar Duitsland, waarom??? Misschien kijken of ze er nog bekende fietsen tegenkwamen.
Onze Va kwam op gegeven moment in gesprek met de chauffeur van de bus, Jeu Vervuurt uit Horst die in de vrije tijd die hij had buschauffeur was. Wat bleek, die Jeu had thuis een champignonkwekerij. En volgens Jeu was er best wel een paar centen aan te verdienen. En als het over centen ging dan wilde Ôzze Va wel luisteren, aandachtig zelfs. Er werd op zeker moment een afspraak geregeld, en de rest is historie.
Toen de beslissing genomen was ging Ôzze Va pas echt loos!!! Omdat hij zelf in de bouw actief was, hij was ‘handlanger’, dat is nu een opperman, had hij nogal wat connecties die hem konden helpen met de bouw van de kwekerij. Het timmerwerk, de loodgieter en het stroomgedeelte besteedde hij uit.
De ruwbouw ging hij zelf doen. Ik was toen te klein om nu te zeggen of het mee of tegengevallen is, maar het was nogal wat. Tegenwoordig is het eerste waarvoor gezorgd wordt dat er een elektrische lift aanwezig is. Vanaf kniehoogte gaat nu alles met de lift dat was toen wel iets anders. Een stapeltje stenen op de schouder en dan op de ladder naar boven, met de specie hetzelfde, zwaar werk waar we allemaal aan mee geholpen hebben.

Op de foto v.l.n.r.: neef Piet Bovee, ik (Jan van den Beuken), Ôzze Va (Sjeng van den Beuken), ôzze Mart (Mart van den Beuken). De foto is gemaakt bij de bouw van de kwekerij in 1954.

Op de foto, die gemaakt is tijdens de bouw van de kwekerij in 1954, v.l.n.r.: broer Ger (Ger van den Beuken), neef Piet Bovee, ik (Jan van den Beuken) zus Jo van den Beuken.
Het resultaat mocht er dan ook zijn. We waren er trots op, en terecht. Maar toen moesten er nog paddenstoelen in gekweekt worden. Met wat hulp en voorlichting is Ôzze Va begonnen. De compost, paardenmest met tarwestro, kregen we van een firma uit Arnhem. Die kwamen met een oplegger van dat spul en de hele vracht moesten we met de chauffeur met de riek leegmaken. Was nogal wat. Dat Ôzze Va ook paardenmest kon kopen bij buurman Bernard Tacken, een echte paardenman, was meegenomen. Deze mest werd ook met de riek uit de stallen gehaald. Die paardenstallen bestonden uit 4 boxen achter elkaar. Prachtige stallen had die Bernard. Het was wel zo dat je de mest met de riek door alle boxen gegooid moest hebben wilde je het spul buiten op de wagen hebben. Wij vonden het helemaal niks. Eenmaal buiten op de wagen werd in de wei een paard gehaald, ingespannen en ermee naar het dorp naar de Boerenbond naar de weegbrug om de mest te wegen. We kregen de mest tegen een kleine vergoeding en die bestond meestal uit een dag bij Bernard meehelpen op het boerenbedrijf. Over dit mest, voortaan compost te noemen, zullen we het de volgende keer hebben.
Maar voordat we verder gaan met de compost eerst heel wat anders. Toen Ôzze Va de kwekerij voor de champignons klaar had en dik tevreden was zag hij op de zolder van zijn cel een grote ruimte waar niks mee gebeurde. Dat vond hij niks, daar moest je toch wat mee kunnen en het duurde niet lang en hij wist het, hij wist het zeker: wij gaan kuikens mesten. Wij, de kids, hadden ook al van alles ‘geprakkeseerd’ maar daar verraste hij iedereen mee. Het dak werd aan de binnenkant dicht getimmerd met karton en klaar was Ôzze Va .De kuikens werden besteld en hoppa, toen was hij kippenboer. Ze groeiden voorspoedig en na een aantal weken ging er geleverd worden, alles geen probleem. Bij de tweede ronde ook geen problemen maar toen was het uit met de pret. Op zekere dag lag er een dooie kip, daags daarna weer een paar en zo ging het van erg naar nog erger. De veearts werd erbij gehaald en waar iedereen bang voor was, was een feit: onze kippen waren ziek, ernstig ziek. De beesten hadden, schrik niet, de snotziekte; iets ergers kan je toch niet overkomen. Ik heb nu soms nog dat, als ik erg verkouden ben dat ik denk, het zal toch niet. Dat was het einde van het kippengebeuren. We hebben alles in eigen beheer opgeruimd. Daar zal ik verder niet over uitweiden maar het was onze dieren hun lot. En nu gaat we paddenstoelen telen.

Op de foto: Ôs Moe (Anna van den Beuken – Alards) aan de oogst. (omstreeks 1960)
De paardenmest die we geleverd kregen en bij Bernard Tacken gehaald is, moet gefermenteerd worden. Hoe het er nu bij ligt kan je er niks mee. Dit spul moet bewerkt worden en dat heet fermenteren en dat betekent werken, keihard werken. De compost hoe we het spul verder noemen, moet met de riek netjes op een hoop gezet worden, laag voor laag. Die laag werd flink aangetrapt en er werd gips, een meststof en flink water bijgevoegd. Deze hoop bleef ongeveer een week zo zitten en werd dan uit elkaar gehaald, met de riek opgeschud en weer op een hoop gestapeld, nu mooi los op mekaar. Na ongeveer een dag of tien was de compost klaar. Dit substraat, hoe we het verder gaan noemen, was niet te vergelijken met het spul waarmee we begonnen. Dit was mooi donkerbruin zacht spul dat echt niet stonk naar mest maar, en dat vind ik nog steeds, lekker rook. Het is niet voor niets dat ik soms door het Donk fiets langs Walkro, effe lekker snuiven. Dit substraat gaat de kweekcel in. Let op, al deze handelingen zijn de allereerste methodes van toen en het is totaal niet te vergelijken met hoe het nu allemaal gebeurt.
We gaan verder met het vervolg. Dit vervolg is erg, zo niet het allerbelangrijkste van de hele teelt. De compost in de cel moest uitgezweet worden. Zo werd dat genoemd. Dat houdt in dat de compost wordt gepasteuriseerd en ontdaan van ammoniak. De temperatuur gaat bij het pasteuriseren in de compost naar circa 58 tot 60 graden en dat dan ongeveer 8 uur. Dit alles is nodig om schadelijke organismen te doden. Daarna wordt de temperatuur van de compost teruggebracht naar ongeveer rond de 45 graden. Dit duurt meerdere dagen en heet conditioneren. Daarna wordt de temperatuur teruggebracht naar 25 graden en is de compost klaar om te enten. Het afgelopen proces is erg belangrijk en behoorde goed te gebeuren. Er is een detail wat ik vergeten ben uit te leggen, geen probleem, ga ik nu doen. Ik vertelde dat de composttemperatuur naar ongeveer 60 graden moest. Daar onze verwarmingsinstallatie ontoereikend was en dit niet ging lukken moest er wat anders geprakkeseerd worden. En dan is Ôzze Va op z’n best. Wat is er gebeurd? Ôzze Va had het zo geregeld met de aannemer dat hij bij het terug brengen van alle bouwmaterialen 2 ouderwetse ijzeren speciekuipen met 2 grote handvatten niet terug hoefde te geven. Daar kon hij wat mee. In die kuipen sloeg hij aan de zijkanten gaten. Daarna werden ze vol met cokeskolen gegooid en aangestoken. Als deze vuurkuip een grote vuurhaard was werd hij door 2 personen, Ôzze Va en ik, binnengedragen. Dit kon door een lange ijzeren buis te steken in de twee oren van de kuip. In het middenpad waar de kuip kwam te staan hadden we aan beide kanten tegen de champignonkisten grote ijzeren platen geplaatst, anders vlogen die in de hens. Deze actie gebeurde ook ’s nachts, om de 4uur moest de vuurhaard vernieuwd worden. Jammer dat daar geen foto van is, lijkt me een ruig gezicht, pikdonker en dan twee figuren die zo rond de vuurkorf rennen met een overjas of een zak van de boerenbond over de kop om je gezicht te beschermen, want het was gloeiend. De arbeidsinspectie, die er nog niet was, die hadden hier zaken kunnen doen.
Dit beulenwerk hebben we overigens niet zo heel vaak gedaan, gelukkig maar. Al gauw genoeg had de Werktuigenvereniging ‘De Helpeneej’ in Horst een mobiele stoommachine aangeschaft die je kon huren. Daarmee kon je de cel prima op temperatuur krijgen. Ook had Ozze Va een afstandsthermometer gekocht (bij Nellen Hay). Je hoefde dan niet meer die hete cel in om te controleren. Aan alles kon je merken dat er veel dingen waren die steeds moderner gingen. Er kwam steeds meer voorlichting er werd een champignonkwekersvereniging opgericht. Er kwam een proefstation in Horst. Ook kwam er een champignonschool in Horst waar leerlingen kwamen van over de hele wereld.

Op de foto, die omstreeks 1960 is gemaakt: ôzze Va en ôs Moe samen aan de oogst.
Maar ik betrap mij erop dat ik afdwaal van hoe het bij ons ging, in het stenen tijdperk. Bij ons was het zover dat de cel geënt moest worden. Daarvoor werd broed gekocht. Het broed dat wij gingen gebruiken kwam uit Engeland. De naam van dit spul was Darlington. Dit broed werd in de champignonkisten in de cel, in elke kist op 6 plekjes, aangebracht. Als de hele cel geënt was werden de kisten afgedekt met papier. Dit papier werd regelmatig natgemaakt zodat de bovenlaag niet uitdroogde. Hiervoor werd het normale krantenpapier gebruikt. Dit alles bleef 14 dagen zo zitten en dan was de hele compost wit doorgroeit met het witte champignonmycelium.
Als er ergens een plekje in zo’n kist was waar het niet doorgroeid was kon je er zeker van zijn dat de compost op die plek niet voor 100 procent in orde was. Daar zullen dan ook geen champignons groeien. Na die ingroeidagen gaat het papier eraf en komt de dekaarde erop. Dekaarde, een mengsel van maasslib en mergel. Gemengd en gemalen en ook gestoomd om alles te doden wat nadelig voor de champignons zou kunnen zijn. Het eerste anderhalf jaar was dat werk ook voor ons zelf. Daarna was de vereniging zover dat we dat afdekproduct kant en klaar konden kopen. Ook de compost werd klaar afgeleverd en hoefden we niet meer zelf te composteren. Het maakte het allemaal een stuk makkelijker. Het was ook die tijd dat Ôzze Va zijn kippenhok afbrak en nieuwe champignoncellen liet bouwen.
Waar het kippenhok gestaan heeft bouwde Ôzze Va 2 champignoncellen. Wel veel kleiner dan de eerste cel. Omdat we de compost en de dekaarde klaar om te vullen geleverd kregen, konden we met een veel sneller schema werken. Dat dit allemaal veel arbeidsintensiever was, maakte Ôzze Va helemaal niks uit. Het personeel, wij dus, had hij toch al, en zo geschiedde.

Op de foto, die is gemaakt in 1956,: v.l.n.r.: ôzze va, ôs moe en ik (Jan van den Beuken)
Ôzze va is asperge op maat aan het afsnijden.
Er was één iets waarmee hij geen rekening hield. Dat was zijn eigen gezondheid. Hij werd ziek, erg ziek. Ôzze Va, een boom van kerel, kon het roken moeilijk laten.
De dokter adviseerde hem ermee te stoppen, maar dan nog trappeerden we hem soms dat hij stiekem rookte. Hij was 62 jaar toen hij op een afschuwelijke manier doodging. (zie bidprentje). Pijnbestrijding hoe we nu hebben was er niet. En dan weet je het wel. Het gezin, van wat er nog thuis was, ging verder met het bedrijf, met goede en minder goede jaren.

Het champignonkweken van toen is totaal niet te vergelijken met hoe het nu gaat. Hadden we toen een totaal schema van 13 weken, nu is dat schema 7 weken. Als er nu een cel gevuld wordt komen er 2 grote opleggers. Een met doorgroeide compost en eentje met dekaarde. Dit alles wordt op een net, zo breed als de stelling is, naar binnen getrokken. Daarna alles netjes schoonspuiten en 3 weken later staan de bedden vol, maar dan ook helemaal vol. De snijbedrijven wachten dan nog 1 à 2 dagen en dan komt de snijmachine en maakt de bedden kaal om plaats te maken voor een nieuwe vlucht. Na 2, hooguit 3 vluchten gaat alles uit de bedden en wordt daags erna weer volgemaakt. Iedereen zal toch wel begrijpen dat als de champignons gekweekt moesten worden zoals in het begin, de grote bedrijven er nooit gekomen waren. Dit is natuurlijk praat van een ouwe man, die denkt in het verleden en ouderwets denkt.
Groet, Jan
P.s. einde verhaal!

Op de foto: het huis met de kwekerij op de Kannegietweg. Voor de kwekerij ligt een flinke hoop cokes die gebruikt werd om de kwekerij te verwarmen. (Cokes is steenkool waaruit het aanwezige gas is verwijderd door verhitting van vermalen steenkool. Door dit proces ontstaat een zuiverder brandstof.)
Heemkunde Meterik bedankt Jan van den Beuken hartelijk voor dit mooie verhaal over het ontstaan van de champignonteelt in Meterik.



Opmerkingen