HERINNERINGEN UIT DE OORLOGSJAREN VAN AN VAN RENGS – KLEUSKENS


An Kleuskens werd op 7 januari 1924 in America geboren als oudste van een gezin van 15 kinderen. Nadat ze de lagere school doorlopen had en ruim een jaar thuis op het land en in het huishouden had gewerkt, moest ze gaan wonen en werken op de boerderij. Ze werkte, voordat ze met Lei van Rengs trouwde, ongeveer 8 jaar als dienstmeisje op boerderijen in America, Meterik en Sevenum.

In 2014, toen An van Rengs - Kleuskens 90 jaar oud was, vertelde ze haar herinneringen aan de oorlogsjaren die hieronder staan opgetekend.


“Ik woonde ten tijde van de oorlog als dienstmeisje bij Martens Handrie aan de Crommentuynstraat (Martens was een bijnaam, de eigenlijke achternaam was Tacken; nu Crommentuijnstraat 38.

Toen we moesten evacueren ging ik met Martens Handrie, zijn vrouw en hun 6 kinderen naar Fleuren Handrie ( de eigenlijke naam is Jenniskens; het huis in de bocht van de Meterikseweg (nu: Meterikseweg 116). Hier verbleven we totdat de Tommies er waren.

’s Nachts moest iedereen bij Droesen (het huis dat door een zandpad gescheiden is van het huis van Fleuren Handrie, nu Meterikseweg 118) in de kelder. Er waren zoveel mensen dat je niet kon liggen; iedereen zat, met de rug tegen de muur, rechtop te slapen. Midden in de kelder stond een spekkuip. Martens Handrie was de oudste en die mocht liggend in de spekkuip slapen.

In het huis van Droesen waren meerdere evacuees. Voor in de kamer links woonden 2 mannen van Schoester Hannes (Janssen) en rechts in de kamer verbleven Bos Lowie, zijn vrouw en de kinderen. (Hesen). Op een dag werd er op de deur geklopt bij het huis van Droesen. Er stonden Duitse soldaten voor de deur die zeiden: “Männer mussen wir haben”.

De schrik sloeg om het hart! Uiteindelijk namen ze de twee mannen van Schoester Hannes niet mee. Bos Lowie was er niet, die was bij Verdellen, enkele huizen verderop. Zo snel mogelijk sloop ik naar Verdellen om te waarschuwen. Bos Lowie vluchtte het veld in. Ik durfde niet meer over de weg terug, bang dat ik de Duitse soldaten tegen zou komen, en wat zouden ze doen als ze merkten dat ik was gaan waarschuwen? Daarom besloot ik via het veld achterom terug te gaan naar Fleuren Handrie. Het was erg mistig en opeens dook daar in het veld in de mist een manspersoon op. Help, wat nu? Het bleek Bos Lowie. Ik vertelde hem dat de kust niet veilig was en dat hij zich schuil moest houden. In het veld was een soort schuttersputje en daar kroop Lowie in. Ik bedekte het met wat takken. Terwijl de granaten me om de oren floten ging ik terug. ’s Avonds toen de kust veilig was ben ik Louis gaan zeggen dat hij veilig terug kon komen.

Bij het huis aan de overkant van de weg (Droesen, nu Meterikseweg 155) was een grote schuur. Daar hielden zich 9 mannen en jongemannen uit de buurt verborgen. In de schuur lag een grote berg rogge en haver. Midden in die berg was een verstopplaats gemaakt waar de 9 mannen zich bevonden en waar ze ’s nachts sliepen. Van boven was het gat afgedicht met wat rogge of haver.

Martha Wijnen was als dienstmeisje werkzaam bij Droessen. Zij zorgde er voor dat de mannen in de schuilplaats te eten kregen. Het eten werd van boven af de schuilplaats in gelaten.

We hadden natuurlijk niet alles van de Crommentuijnstraat mee kunnen nemen naar de Meterikseweg en de trapnaaimachine was achtergebleven. Mij werd gevraagd om de naaimachine te gaan halen. Met een soort kruiwagen/handkar ging ik op weg. Op de Crommentuijnstraat aangekomen zag ik ook nog 2 kleine varkentjes in de stal. Nadat ik de naaimachine in de kruiwagen had gelegd pakte ik een jutezak, stopte daar de twee varkentjes in en knoopte de zak dicht. Ik legde de zak op de trap van de naaimachine en zo ging ik terug naar de Meterikseweg. We hebben de varkentjes lekker opgegeten.

Nadat ik de trapnaaimachine en de varkentjes veilig naar de Meterikseweg had gebracht vroeg Martens Handrie of ik ook het jonge paardje durfde te gaan halen dat nog bij het huis op de Crommentuijnstraat op stal stond en daar verborgen was. Een beetje met schrik in de benen ging ik op weg. Het huis achter Martens Handrie, (waar nu Ton en Carli Peeters wonen; Crommentuynstraat 51) zat vol met Duitsers die daar verbleven. En hoe zou het paardje reageren als die opeens daglicht zou zien en ik hem mee zou willen nemen? Onzeker ging ik de stal binnen, deed het paard ‘het hutsel’ aan en nam hem mee naar buiten. Ik was niet gewend om met paarden te lopen en was er stiekem ook een beetje bang voor. Daarom had ik hem aan een touw en hield dat een beetje van me af. De schrik sloeg me om het hart toen er een Duitse soldaat op me af kwam lopen. Ik dacht: “Nu ben ik het paardje kwijt!”. Maar tot mijn verbazing zei hij dat ik het paard beter bij ‘het hutsel’ vast kon houden dan het aan een lang touw laten lopen! Opgelucht vervolgde ik mijn weg en bracht het paardje naar Martens Handrie. Handrie gelukkig, maar helaas, ongeveer 14 dagen daarna is het paardje toch door de Duitsers meegenomen.

(‘het hutsel’ is het dialectwoord voor hoofdstel)


Recente blogposts

Alles weergeven

17 november 1944

Bert van Rengs was de ongeveer 15 jaar oudere broer van Lei van Rengs, de overleden man van An van Rengs – Kleuskens. De familie van Rengs was een grote familie; er waren ongeveer 10 kinderen. Bert wa